Met het neo-liberalisme van VVD, CDA, PvdA en D’66 ontstond er een beunhaas-mentaliteit.

De beunhaas-economie

Er moet in de jaren vijftig in Amsterdam een schildersbedrijf zijn geweest dat zijn opdrachten zo beroerd uitvoerde dat geen gezin er ooit nog bij terugkwam. Mijn vader, solide opgeleid aan de ambachtsschool, sprak er regelmatig schande van. Maar ja, zo redeneerde de eigenaar, er wonen een paar honderdduizend huishoudens in de stad. Als ik bij elk daarvan één keer de muren mag doen, zit ik mijn leven lang goed.

In de jaren tachtig verzon een slimme STER-spot voor zo’n ondernemer een passende naam. Het ging niet over schilders, maar over garagehouders en verkopers van tweedehands auto’s. Geen bedrijfstak met een al te koosjere reputatie, en daar wilde de brancheorganisatie iets aan doen. Als tegenbeeld van wat haar voor ogen stond, portretteerde zij de autohandelaar die voor zijn werk slechts tot aan de stoep voor het bedrijf garant stond. Zijn naam was Beun de Haas.

Of die campagne goed heeft uitgepakt weet ik niet. Maar in het denken van de grootste bedrijven, het internationale bankwezen en van de weeromstuit ook in heel wat bescheidener ondernemingen lijkt Beun de Haas alsnog victorie te kraaien. Solide werk dat lang mee kan lijkt al lang geen oogmerk meer te zijn in het denken van chief executive officers, directeuren en bedrijfsleiders.

De spanningsboog van hun beslissingen reikt nauwelijks verder dan tot aan de volgende kwartaalcijfers en de jaarlijkse bonusregen. Job-hopping wordt verdedigd, zelfs gestimuleerd, als een middel om de geest scherp en de kennis wereldwijs te houden. In werkelijkheid lijkt het meer op een permanente vaandelvlucht waarmee verantwoordelijken de gevolgen van hun handelen systematisch ontlopen.

Ik weet niet of deze mentaliteit er bij de ambitieuze jongens en meisjes op de opleidingen voor bedrijfskunde en op de business-schools al wordt ingeramd. Na wat onthullende boeken over het cynisme aan zulke faculteiten in de Angelsaksische wereld, heb ik er weinig fiducie in. Feit is dat we sinds enkele decennia te maken hebben met een bedrijfsvoering die kortzichtigheid niet langer als een gebrek, maar als een deugd beschouwt.

Alleen als het de eigen bankrekening betreft, blijkt de financiële en zakenelite wel in staat de schaapjes op het droge te krijgen, én te houden. Plotseling reikt de blik – economisch èn juridisch – dan een stuk verder dan het snelle plot van take the money and run. Ook de frauderende Barclays-bankier Bob Diamond zag, na zijn gedwongen terugtreden, zijn vergaarde privévermogen geen moment bedreigd.

Zelfs in de huidige benarde omstandigheden ziet de beunhaas-economie zich, met de typerende arrogantie van de verkoper van valse merkhorloges, allerminst geroepen tot enige bezinning. En laten wij wel wezen: wij hebben allemaal welwillend toegezien hoe in Europa het project van een verenigd continent kon verworden tot een massieve promotor van het casinokapitalisme.

We hebben toegestaan dat het ons de knollen van zijn lichtzinnigheid verkocht voor de citroenen van concurrentiekracht en de tucht van de markt. De Nederlandse eurocommissaris die daarvan de belichaming was hebben we bejubeld. We wilden haar zelfs premier van Nederland maken. En nu zouden we liefst hetzelfde doen met een minister van Financiën die Europa systematisch gebruikt om het hele continent onder het juk te brengen van een Angelsaksisch marktdictaat.

Dat is niet van vandaag op gisteren, en de beunhazerij bleef niet beperkt tot de managersmoraal van hit and run. Ook aan de andere kant van het economisch spectrum werden al in de lange jaren negentig de solide structuren die tot dan toe het economisch verkeer hadden geregeld afgebroken, met de belofte dat zo de kapitaals- en ondernemingsvrijheid de beste aller werelden zou scheppen. In een soort economisch darwinisme werd de concurrentiestrijd van allen tegen allen verheven tot het selectiecriterium waarin alleen het meest ‘aangepaste’ toekomst kreeg.

Wilde de markt zijn tucht werkelijk uitoefenen, dan kon niemand nog in de luwte blijven van vaste contracten of beproefde dienstverbanden. Alles wat solide was ging op in lucht, in de eerste plaats bij de overheden zelf. Zij zouden het goede voorbeeld geven en daartoe moest elke uitgave in het vervolg ‘openbaar aanbesteed’ worden. Alle marktpartijen zouden zich moeten kunnen inschrijven op het gunstigste contract. Dat overkwam ook de leverancier die al decennialang zijn goederen of diensten geleverd had tot een algemene tevredenheid die best een centje waard was.

We hebben het geweten – en daarvoor hoeven we niet eens naar de opvallendste uitwassen van deze aanbestedingsplicht te kijken. Neem de kantine van een van de universiteiten waaraan ik verbonden ben. De vertrouwde cateraar vloog eruit, en maakte plaats voor een goedkopere. Maar het beloofde paradijs bleef uit. De keuze slonk, de prijzen gingen omhoog. Al snel na indiensttreding liet de restaurateur weten dat hij met de oorspronkelijk opgegeven prijs onmogelijk quitte kon spelen.

Dat zie je alom gebeuren, of het nu over voeding, vervoer of een nieuw verfje gaat. Busbedrijf Veolia liet weten het met zijn eigen aanbestedingsplan niet te kunnen redden. De KPN ging er bijna aan ten onder. Want ook hier heeft Beun de Haas alsnog zijn slag binnengehaald. We spiegelen de klant de mooiste luchtkastelen voor, en over drie of vijf jaar, bij een volgende aanbestedingsronde: wie dan leeft die dan zorgt. Bedrijfskantines genoeg, gereisd moet er toch worden, telefoneren is een eerste levensbehoefte geworden en huishoudens zijn er in Nederland alleen maar bij gekomen.

Gezamenlijk hebben wij ons bestel laten verworden tot een beunhaas-economie, waarin beloften op de korte termijn en de continentale traditie van de voorzichtige en vooral verre blik in nevel heeft laten verdwijnen.

Er zijn in Amsterdam nog altijd solide schildersbedrijven. Er zijn ook gewetensvolle garagehouders. Er zijn zelfs smakelijke cateraars. Maar ook hun beroepseer wordt aangevreten door een economische moraal die producten en diensten niet langer als doel, maar slechts als middel beschouwt. Een moraal die bedrijfstrouw veracht als iets voor gekke Henkies, slechts garanties geeft tot aan de voordeur en de lange termijn een goede grap vindt. Door de beunhaas die de zondvloed alleen maar vreest wanneer hij zijn eigen nauwe horizon dreigt binnen te klotsen. En die hardnekkig voortleeft bij de dag, het kwartaal of het boekjaar – want het leven is al kort genoeg.

Ger Groot is filosoof en publicist. NRC 25-8-2012

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s