De crisis maakt een einde aan lelijk landschap (en lelijke steden)

Op 27 juni jongstleden werd een convenant ondertekend met een maatregelenpakket om de leegstand van kantoren aan te pakken. Voor veel mensen was dit een volkomen dorre aankondiging. Niettemin werd het hier en daar een ‘historische’ gebeurtenis genoemd; goed nieuws!

Is het dat? Laten we bij dezen zeggen: dat zou het kunnen worden.

Ik hou van Nederland. Van het vlakke, weidse landschap van dit land, bedoel ik. En die liefde heeft één duidelijke aanleiding: het Bergumermeer.

Ik ben (gedeeltelijk) opgegroeid in Friesland. Mijn ouders hadden (en hebben) daar een huis. En van mijn tiende tot en met mijn negentiende liep ik regelmatig in de ochtendschemering naar dat meer. In beginsel om te zoeken naar dieren. Maar ik weet inmiddels ook dat het een plaats was waar ik me kon afzonderen.

Velden. Rijen bomen. Rietkragen. De schijnende vlakte van het water zelf. En aan de overkant, in de verte, opnieuw bomen. Dat was alles. Ik verveelde me daar nooit. Het is deze onbebouwde ruimte van weilanden en sloten, deze schoonheid, die me heeft geleerd dat Nederland waardevol kan zijn. Dat Nederland me werkelijk iets kan geven.

Schoonheid is de belofte van iets hogers. Of liever nog: van iets groters dan je eigen ego. Iets waar je graag een deel van bent. En daarom genieten mensen, die dit hebben ondervonden, van de natuur – omdat die belofte daar altijd aanwezig is.

Alleen de natuur is voortdurend in beweging. Loop je door een bos of veld of over een strand, dan onderga je dit constant. De bomen en de planten en het water veranderen, onder invloed van regen, wind, het licht en de seizoenen. En dat geeft hoop. De hoop dat er meer is dan het menselijk gewroet. En je kunt dus net zo goed stellen dat schoonheid hoop is, de hoop op iets groters. Het is logisch dat kinderen van nature van dergelijke ruimtes houden; ruimtes die ze zelf kunnen invullen.

Het is daarom ook dat mensen in steden zo gesteld zijn op ‘wat groen’; dat mensen vanuit hun huis het liefst willen uitkijken op een boom of waterpartij, of, desnoods, op een aangelegde tuin. Het is daarom dat we compleet verstedelijkte stukken – de asfalt- en betonjungle – doorgaans als lelijk ervaren; benauwend. Want asfalt en bakstenen muren zijn doods; en daarmee hopeloos. Stilstaand. Niet voor niets kijken gevangenen dikwijls naar de lucht, of naar de tv – want dit zijn in een dergelijke omgeving vaak de enige plaatsen waar er tenminste iets beweegt. In de hel dringt geen daglicht door.

Ik ben van Nederland gaan houden door het Bergumermeer. Ik heb dáár (en niet op school) leren nadenken, leren beschouwen; en dat is iets waar ik mijn hele verdere leven mee voort zal kunnen.

Maar mijn liefde wordt erg op de proef gesteld, want voortdurend word ik op mijn ziel getrapt. Soms neem ik de trein en reis ik naar mijn ouders toe. Op die reis wordt telkens weer mijn gemoed vermalen. Want telkens weer is er iets levends verloren gegaan. Eigenlijk hoef ik geen voorbeelden te noemen, iedereen weet precies wat ik bedoel. Ik heb het hier over de bedrijventerreinen die overal zijn opgedoken (Steenwijk, Drachten, Heerenveen, Amersfoort). Over de reusachtige, nietsontziende windmolens (onder meer even voor Staphorst). Over de wanhopig eenvormige, nieuwe woonwijken.

Ik heb niets tegen het maakbare landschap. Dat is tenslotte een Nederlandse uitvinding. Sommige meren of waterwegen hier zijn uitgegraven, alle bossen zijn aangelegd. En ik begrijp heel goed dat de landbouw nodig is (vooralsnog!). Dat mensen leven in gebouwen. Maar waarom, heb ik me dikwijls afgevraagd, moet dit allemaal zo uniform? En waarom zo grootschalig?

In Engeland (en ook in andere Europese landen) is het traditie om in een weiland tenminste één of twee oude bomen te sparen. Die staan er dan tenminste, en er wordt dankbaar gebruik van gemaakt door het aanwezige vee.

Waarom is het zo dat in Nederland elke boom op een goudschaal wordt gewogen? Waarom wordt alles hier rechtgetrokken? Waarom zijn Nederlanders zo belachelijk bang voor ‘rommeligheid’?

Ik dwaal enigszins af. Terecht, maar ik begrijp dat de lezer zo langzamerhand iets wil vernemen over dat convenant.

Goed dan: er is in Nederland te veel gebouwd. 15 procent van de gebouwde kantoren staat inmiddels leeg. Hoe dit is gebeurd?

Als volgt: gemeenten konden te weinig belasting heffen. Niettemin was er geld nodig (voor onder meer vervoer, zwembaden, gemeentehuizen, politie en de sociale diensten). En dus werden er kavels grond verkocht, aan bedrijven. De grondprijzen zijn hoog. Dit bracht dus, op korte termijn, het meeste op.

Intussen kwam er steeds meer leegstand in de bestaande kantoren. Het hergebruiken van die kantoren (toch de meest logische stap) bracht echter veel minder op; want die kantoren waren tenslotte al van de desbetreffende eigenaar. Het was, kortom, stomweg rendabeler om telkens weer nieuwe stukken grond te verkopen.

Op schoonheid werd hier niet gelet. Het feit dat er weer een oud weilandengebied of stuk bos verloren ging, was economisch van geen enkel belang.

Zelfs in de vastgoedsector, zelfs door architecten en projectontwikkelaars, werd hierover geklaagd; men wilde de bestaande, lege kantoren soms best transformeren tot bruikbare locaties. Maar het verkrijgen van een vergunning hiervoor kon acht jaar in beslag nemen.

Acht jaar wachten op een vergunning… Geen zinnige ondernemer die daaraan begint.

Het is door deze gang van zaken dat Nederland op zo veel plekken lelijk is geworden. Dichtgeslibd.

Echter, wat lelijk is geworden, is verloren. Wat lelijk is geworden, is ontoegankelijk geworden. Van lelijkheid wendt men het hoofd af. Men gaat er zo gauw mogelijk aan voorbij. Er bestaan geen actiegroepen die zich inspannen om van een bedrijventerrein weer een natuurgebied te maken.

En wat doet lelijkheid met mensen? Wat gebeurt er, bedoel ik, met mensen die opgroeien in een gebied zonder bomen, zonder velden – zonder ruimte waar je gedachten kunnen dwalen? Wat gebeurt er, kortom, als alles om je heen rücksichtslos wordt volgebouwd?

Een lastige vraag. En het antwoord dat ik hier geef, is dan ook volkomen gevoelsmatig.

Ik denk zelf dat je geen liefde kunt ontwikkelen als je opgroeit tussen steen (en asfalt, metaal, plastic, beton et cetera). Geen liefde voor je omgeving, maar eigenlijk ook geen liefde voor jezelf.

Dit heb ik om me heen ervaren: omdat je feitelijk geen deel wil uitmaken van het omringende, maar er toch moet wonen, word je onverschillig. Als de omgeving je onverschillig laat, is het enige wat overblijft het verzamelen van materie. Dan is het logisch dat je tracht om zo veel mogelijk aanlokkelijke materie naar binnen te slepen. Want dát is het enige wat je in zo’n geval kunt doen! Als je omgeving waardeloos is, zul je proberen om je leven waardevol te maken met de verkeerde dingen.

Lelijkheid, stel ik hier, kweekt materialisme.

Maar nu is er dat convenant! Er zullen, zo is ons beloofd, „kantorenfondsen op lokaal niveau” komen. Eigenaren van leegstaande kantoren zullen worden gestimuleerd om die gebouwen te transformeren tot iets bruikbaars – of te slopen.

Ik las het goed. Ja, er wordt ons werkelijk iets beloofd hier! Zal er worden gesloopt in Nederland? Zullen er kantoren verdwijnen? Zal er lelijkheid worden opgeheven? En zullen daar heuse subsidies voor worden verstrekt?

Er is een tijd geweest dat ik niet meer durfde te gaan wandelen bij het Bergumermeer. Omdat ik had gezien dat er veranderingen kwamen. Opeens stond er, na mijn afwezigheid van een paar maanden, een wijkje bungalows aan de oever. Opeens ook had een boer een pad van betonplaten gelegd, omdat dat makkelijker was te berijden. Ook waren er ellendige plannen (van de gemeente) om het meer ‘toegankelijker’ te maken.

Alleen dat wat wordt vergeten, heb ik lange tijd gedacht, kan mooi blijven.

Maar het Bergumermeer is, vooralsnog, min of meer gespaard. Nog steeds is er de stilte van de weilanden. En dat toegankelijk maken is goddank niet doorgegaan.

Ik kom er tegenwoordig weer, van tijd tot tijd. En als ik daar dan loop, dan ben ik dankbaar dat er een crisis is. Want enkel daardoor is men minder gaan bouwen. En is men gaan nadenken.

Niet over schoonheid. Niet over het feit dat mensen zulke ‘lege’ plekken nodig hebben. Maar wel over die kantoren.

Dat geeft hoop. De crisis is misschien nog net op tijd gekomen.

Daan Remmerts de Vries

NRC14-7-2012

Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s